Sinterklaas - Kapoentje

Versjes van S. Franke met platen van Freddie Langeler
ALKMAAR GEB.KLUITMAN
Derde Druk
![]() |
Gekleurde
platen van Freddie Langeler, |
| Hoera!
Daar komt Sint Niklaas aan, je ziet hem langs de toren gaan. Hoog zit hij op zijn witte paard, als blinkend zilver is zijn baard. Hoe sierlijk valt zijn statiekleed, de mantel waait en zwaait zo breed. Zijn kromstaf is van louter goud ; hij is zo grijs en o, zo oud. Hoera! Daar komt Sint Nicolaas en met speelgoed en met speculaas. |
Wat
kijken al die kind'ren blij naar 't zwarte ventje aan zijn zij. Dat is er een uit Morenland, zijn kraag is van het fijnste kant. Hij draag zijn allerbeste pak en op zijn rug heeft hij de zak. Hij schudt zijn zwarte krullekop ; daar prijkt een fraai baretje op. Hij kijkt de kind'ren lachend aan ; die juichen luid, ,,dag Pieterman !" |
![]() |
| Aan
elke deur, aan ieder huis, roept Pieter straks, ,,is moeder thuis? Zijn Jan en Maarten al naar bed? Heeft Zus haar schoentje klaar gezet? Hoe ging 't op school? Geschiedenis, gedrag en vlijt, 't is toch niet mis?" En Sinterklaas op 't witte paard, lacht, stil genoeglijk in zijn baard Naar 't troepje kind'ren, klein en groot, dat hem weer haalde van de boot. |
| De
Sint zei tegen Pieterman, ,,trek vlug je beste pakje an, je buis van 't allerhelste geel, je muts van glanzend bruin fluweel. Je pofbroek doe je ook maar aan, die zal je bij je buis wel staan. Zet op je muts een nieuwe veer en was je extra deze keer. We hebben weer een jaar gespaard, Een zak vol geld bijeen-gegaard. Koop alles wat je krijgen kan, een boek voor piet, een tol voor Jan, een pop voor Zus, voor Jaap een zweep, Voor ieder kind een kwattareep. Koop alles wat je oog maar ziet en Piet, vergeet de roede niet. Ga naar den bakker op den hoek die heeft de fijnste krentenkoek En zeg hem : maak de oven an dat hij met vaart aan 't bakken kan. Daar gaat hij, en de knechts er bij dat 't davert in de bakkerij. Kom Piet, we gaan, draag jij het geld, 't is heel mijn rijkdom, welgeteld." |
![]() |
| Dat
was in de stad een gedraaf van belang, een hollen, een haasten, een jachten. Men had in de winkels geen helpers genoeg en moest er soms uren lang wachten. De knecht van St. Niklaas ging overal rond, naar winkels en naar magazijnen en kocht wat hij zag voor St. Nicolaas op, zo hoepels, als koek met rozijnen. Hij glom van de pret, en zo zwart als hij was, hij had toch een kleur van het jachten. Hij riep in het Moors, ,,voor het feest van mijn heer!" en de ogen van Pieterman lachten. Hij telde de blinkende goudstukken uit en liet ze op tafel rinkinken. Hij sloeg op zijn buidel, een buidel zo groot en liet daar de tientjes klinken. En toen in de stad niets te kopen meer was, geen bouwdoos, geen knikkers, geen boeken, toen ging hij terug naar 't hotel van den Sint, Om 't eerste de stal te bezoeken. Hij poetste den schimmel en roste hem glad En wreef met een strowis zijn poten, En gaf hem extra schep haver uit 't vat, met een Hoornse wortel, zo'n grote. Toen bracht hij den Sint, die was moe, naar zijn bed . . . En overal werden de schoentjes gezet . . . |
![]() |
| En
overal stonden de schoentjes gereed. In een rijtje, een leuk allegaartje : Blij klonken de liedjes, Sint Niklaas ter eer, Van Pietermanknecht en het paardje. De kinderen luisterden. Hoorden ze wat? Was ginds in de gang een gestommel? Rinkinkte de ketting van Pieterman daar? Wat was dat op straat voor gerommel? Wist Pietermanbaasje hun huisnummer wel? De Sint zou hen toch niet vergeten? En gister, op school, die som was toen fout ; zou Piet daar misschien iets van weten? Zelfs Mieke, de poes, zat op 't kleedje gereed om Sint en zijn knecht te ontvangen. En Jan had voor 't paardje wat hooi klaar gezet ; daar zou 't na zo'n reis naar verlangen. En iedereen zong van een stoomboot, die komt, van 'n maantje, dat schijnt door de bomen en schikte zich vast om de brandende haard, Want straks zou Sint Nicolaas komen. |
![]() |
| Het
ging in galop over heggen en steg, langs velden en dijken en wegen, ,,ruts!" over een hek en dwars door een tuin, langs pleinen en grachten en stegen. De schoorstenen stonden versteld van 't geval. Wie zag ooit een ruiter zó rijden ! Zo oud en zo grijs, in zo'n wilde galop, en Piet bleef maar steeds aan zijn zijde. Wat waaide de purperen mantel wijd uit. Zo breed zich de zilverbaard spreidde. Het briesende ros sprong van daklijst op nok en wist van geen rusten of pozen. Voort! Voort! In galop, over pannen en lei, en Piet holde mee met zijn dozen, zijn ketting, zijn pakjes, zijn roede, zijn zak, het boek met adressen en namen totdat ze tenslotte, na moeilijke rit op de plaats waar ze zijn moesten kwamen.. De kinderen lagen al lang in hun bed, op één na, die stond voor de ramen, maar kon toch niet zien, hoe de Sint en zijn knecht, trip-trap langs de dakgoten kwamen. Toen bromde de toren, ,,ga gauw naar je bed, wat heb jij bij 't venster te maken! Ik zie Sinterklaas op zijn vurige ros en Pietermanknecht op de daken." |
![]() |
| Het
paard staat bij de buitendeur, nu gaat er wat gebeuren. Ik hoor gestommel in de gang en klapperen van deuren. ,,Wij zijn niet bang Sint Nicolaas, komt u gerust met Pieterbaas!" |
,,Hondriksie-dobber-parlala, is hier het huis van Jansje, van Piet en Jet en Ko en Dries en van het kleine Hansje?" ,,U bent terecht hoor Pieterbaas, strooit u maar lekk're speculaas." |
![]() |
| Het
klettert op het zeil en kleed ; koek rolt in alle hoeken. Nu grabbelen en grijpen maar, je hoeft niet lang te zoeken. Want Sinterklaas is in het land, en Pieter strooit met gulle hand Voor alle kind'ren groot en klein, die lief en niet ondeugend zijn. |
| ,,Sinterklaas
en Pieterman kom bij ons ook even an. Onze lei is volgeschreven, meester heeft een vijf gegeven voor sommen, en een zes voor de laatste tekenles." |
,,Wel,
hier zijn we, ik en Piet, ook de school vergeet ik niet. Meester Puntboord, zeg eens even, wie kan 'k een presentje geven, en welk kind verdient de roe met een zakje peper toe!" |
![]() |
| ,,Sinterklaas
ik ben tevree. Met de klas valt 't nogal mee. 't Is alleen Jan van den slager, want dat is een dierenplager, en hij leert zijn les soms niet ; ja, dat geeft me wel verdriet." |
,,In
de zak dan maar met Jan" bromde zwarte Pieterman, Maar toen sprak de goede Sint, die een vrind is van elk kind, ,,'k zie het nog een jaartje aan, Pieter, laat den jongen gaan!" |
| Aan
deze zes heeft Sinterklaas gelukkig ook gedacht. De zwarte Piet kroop ongemerkt naar binnen deze nacht en bracht een trommel en een pop een paardje en een W, een bal, een varken en een tol en ook een taai of twee. |
De
harlekijn zit op een doos en kijkt wat eigenwijs naar 't meisje met het blonde haar en naar de poppelijs. Hij wil zo graag wat spelen gaan en zit daar heel vergeten. Wie van de zes zijn vriendjes is zou hij wel willen weten. |
![]() |
| Die
kind'ren met dat speelgoed daar, dat stelletje van zes is zeker wel heel lief geweest bij moe thuis en op les, want anders had Sint Nicolaas wel tegen Piet gezegd, ,,vergeet niet, Pieter, dat je ook een roe in 't mandje legt!" |
| Sinterklaas
vroeg, ,,Piet, dat meisje, Greetje heet ze, is het niet, waarom heeft ze niet gezongen ? Kent dat kind geen enkel lied?" |
,,Heer,"
zei Pieter, ,,kleine Greetje, ligt met mazeltjes te bed. Daarom heeft ze niet gezongen en geen mandje klaar gezet." |
![]() |
| ,,Pak je
zak dan Piet en vul hem met een pop en speculaas, met een hart van chocolade en een rose suikerhaas, want al zong ze dan geen lied, 't zieke kind vergeet ik niet." |
| Het
blijde feest is weer voorbij, het feest van speculaasjes, van koek, banket en marsepein. fondant en chocolaadjes. |
Ze
gaan weer naar hun oud kasteel, dicht bij Madrid gelegen, en wuiven nog eens vriendelijk het groepje kind'ren tegen. |
| De
goede Sint is wel wat moe van 't klauteren en klimmen, maar Piet de knecht loopt achter 't paard Van louter pret te glimmen. |
Sint
Nicolaas is best tevree. Ook Piet heeft niet te klagen, want dit jaar hoeft hij geen stout kind naar Spanje mee te dragen. |
![]() |
|
,,Tot
ziens!" zo roept hij, ,,hou je goed, |