Over
Kabouters En Elfjes
Door
F.
J. Wolters-Meyer
WERELDBIBLIOTHEEK
AMSTERDAM – 1953 -
ANTWERPEN
|
|
|
HET LENTE-FEEST
De
kaboutertjes vieren het lente-feest
Het
feest van de Mei-Koningin.
Ze
maken slingers van dennegroen,
Met
voorjaarsbloemen erin.
Ze
hangen de slingers van boom tot boom
Rondom
de elfenwei.
In
’t midden staat een mooie troon
Voor
de Koningin van de Mei.
Straks
komen de elfjes op bezoek,
Zij
dansen zo sierlijk en fijn.
De
kabouters hebben haast geen geduld
’t
Zal immers een groot feest dan zijn!
|
DE VERJAARDAG Oh,
wat een feest! Oh, wat een feest! Kabouter
Pepijntje werd koning. Ze
slikten en snapten; Ze
smulden en hapten van bessen en koekjes met honing.
’t
Feest duurde voort tot diep in de nacht. De
glimwormpjes zorgden voor licht. Ze
dansten en sprongen; Ze
lachten en zongen En ‘sochtends pas vielen hun oogjes dicht.
|
|
ZIEK! Kabouter
Witbaard ligt in bed. Och,
och! Wat is hij ziek. Zijn
buikje doet hem oh, zo zeer, Hij
zegt: ,,’t Is rimmetiek!’’
De
dokter komt, voelt hem de pols; Beklopt,
bekijkt hem dan. En
zegt: ,,Steek jij je tong eens uit, Waar
at jij gist’ren van?’’
Hoe
schrok kabouter Witbaard toen, Want
wát had hij gedaan . . . ? Hij
at het honingpotje leeg, Dat
moeder in de kast had staan!
,,Ja,
ja’’ ,zegt streng nu dokter Pil, ,,Dit
is een goede straf. Misschien
blijf jij nu in ’t vervolg, Van ’t honingpotje af!’’
|
|
'T IS LENTE Kom laten we dansen In vrolijke rij. De lente is gekomen, Wat zijn we nu blij. De bijen zoemen Rond kleurig bloemen En vogeltjes fluiten Hun mooiste lied. ´t Is lente; ´t is lente; Wie danst er nu niet!
De ouden van dagen, Leken maar toe. Ze waren zo stram, en Ze waren zo moe. Maar de pijn in hun benen, Is plots'ling verdwenen. Wég zijn de zorgen en Wég is 't verdriet. 't Is lente; 't is lente; Wie danst er nu niet!
|
![]() |
DE SCHOENMAKER
Ik ben kabouter Rap-ter-hand,
En ben bekend in 't ganse land.
Want ik maak schoentjes, grof en fijn,
Voor alle voetjes, groot en klein.
Als de kabouters werken gaan,
Hebben ze sterke laarsjes aan.
Maar oh, ze hebben het altijd druk,
Dus zijn hun laarsjes heel vaak stuk.
De Koning draagt sandaaltjes,
Die rijg ik om met kraaltjes.
Soms draag hij muilen van fluweel,
Die zijn heel mooi, maar kosten veel.
Ook maak ik schoentjes met knoopjes van goud,
Voor elfjes uit het sprookjeswoud.
Hún schoentjes zijn van 't fijnste leer,
Want elfenvoetjes zijn zó teer.
Lief elfenkind, wat zal het zijn ?
Vind je roodleren muiltjes fijn ?
Als jullie samen dansen gaan,
Zullen ze zeker snoezig staan.
![]() |
DE ARME BLOEMPJES
,,Oh, wat is het vrees'lijk warm''
Zuchtten de bloempjes klein.
,,Ik wou, dat er wat regen kwam,
Wat zou dat heerlijk zijn!''
En nauwelijks hadden ze dit gezegd
Of de kaboutertjes hoorden dat,
Ze kwamen met hun gietertjes,
En sproeiden ze door en door nat.
De bloempjes lachten naar de zon.
Hun dorst was nu weer weg.
Ze zeiden: ,,Dank kaboutertjes,
Wat was dat lekker, zeg!''
![]() |
VOOR HET LIEVE KONIJNTJE
DBij Moeder Konijn is een kindje gekomen.
Zoetjes ligt het in haar armen te dromen.
De vogeltjes hebben 't rondverteld,
En iedereen komt er naar toegesneld.
De één brengt worteltjes, vers van 't land.
Een ander heeft bosbessen in zijn mand.
De elfjes sponnen het wiegegordijn
Van spinneweb-draadjes; oh zo fijn.
Maar kaboutertjes hadden 't mooiste bedacht.
Want kijk eens, wat hebben zij meegebracht ?
Een wiegje, gevlochten van berkenschors
Van binnen bekleed met zacht, groen mos.
![]() |
DE HERFST
De matte herfst is weer gekomen.
De bladeren van de bomen.
Nu gaan we naar het grote bos
En zoeken nootjes op het mos.
Eikels en nootjes van de beuk.
Het ligt er vol, is dat niet leuk ?
We zoeken vlug, want onze mand
Moet strakjes vol tot aan de rand.
En is het 's winters buiten guur,
Dan zitten we binnen bij 't vuur,
Dan hebben we de grootste schik
En eten onze buikjes dik.
![]() |
HET KLOKKENCONCERT
Daar staan ze allen op een rij;
Do - Ré - Mi - Fa - Sol - La - Si.
En op een paddestoeltje staat
De meester Falderi.
De kabouters geven een klokkenconcert
Je hoort steeds maar - Bim - Bam - Bom.
Maar oh! Daar valt de paddestoel
Van Falderi plots om.
Wat lachten die kabouters toen
Hun muts viel ervan af.
Maar Falderi werd van schaamte rood
En vluchtte op een draf.
![]() |
DE KOORDDANSER
't Is kermis; wat pret!
Elk is vlug uit zijn bed,
En schiet één, twee, drie in de kleren.
Aan de rand van het woud
Zijn de tentjes gebouwd,
Waar een ieder zich kan amuseren.
Daar bij dat tentje,
Dat aardige ventje,
Kabouters; kijk toch eens gauw!
Je gelooft 't niet,
Als je 't zelf niet ziet.
Hij danst er maat zó op een touw.
Hij danst heen en weer
En vergist zich geen keer.
Dan springt hij vlug op de grond.
De menigte juicht,
Het kereltje buigt,
En dankt met zijn mutsje in 't rond.